Hoe ga je dood voor dummies

“Ik heb een hele nieuwe doelgroep voor je”, mailde ze me. Nu hoor ik dat soort adviezen wel vaker, maar dit keer was het niet een goedbedoeld advies maar een noodkreet om haar nalatenschap zeker te stellen. Fia was een tijdje mijn collega, tot zo’n 16 jaar geleden. Echt contact onderhielden we niet, maar ze volgde me, liet ze me al eerder weten en dat was fijn. En nu gaat ze dood. OK, we gaan allemaal dood, zo grappen we al een beetje, maar bij haar is het vrij zeker dat de kanker haar einde zal betekenen.

Onze eerste ontmoeting vindt plaats op een zaterdagmiddag in de stad. Bij Gods gratie kan ze nog auto rijden en maar al te graag gaat ze er op uit, ook al kost het veel energie. Ik heb die dag 2 maal “Fia” in mijn agenda staan. Die avond ga ik naar het concert van zangeres Fia van haar “Legacy of light” tour. En in de middag dus een gesprek met oud-collega Fia om over háár “legacy” te praten. Hoe bijzonder.

Een wervelwind aan woorden komt op me af. Ze vertelt uitgebreid over wat de rouw met haar doet, wat het gedrag van anderen met haar doet en hoe zij deels de rouwbegeleiding op zich neemt. Gepassioneerd. Ook in haar woorden klinkt de noodzaak om juist nú dit allemaal te delen. Een website was ze al begonnen, zodat ze met haar ervaringen anderen kan helpen en inspireren, ook na haar dood. Maar ja, ze zou de website niet zelf kunnen onderhouden. Dus vult ze de laatste fase van haar leven met ontmoetingen om haar lessen, haar verhaal, haar nalatenschap, zo goed mogelijk achter te laten. Ze grapt dat ze een soort van ”Hoe ga je dood voor dummies” wil achterlaten.

Ze weet nu ongeveer een jaar dat de botkanker niet meer weg gaat. Palliatief patiënt ben je dan. Vanaf dat moment is het leven intenser geworden, gesprekken en verbindingen hebben meer waarde en meer inhoud gekregen. Juist in die gesprekken en verbindingen vindt ze haar inspiratie.

Tijdens onze tweede ontmoeting vraagt ze hoopvol: “En, wat ga je ermee doen, weet je dat al?” Ik voel de druk en de noodzaak en word er een beetje nerveus van. Tegelijk voel ik een grote dankbaarheid, dat ik op deze manier eraan word herinnerd dat ik mijn plannen voor OverRouw verder mag gaan uitwerken. Dat onze tijd op deze aardbol niet eeuwig is en dat de tijd begint te dringen. Dus ik vertel haar dat ik al langer een training wil maken voor mensen die te maken hebben met iemand die rouwt of met iemand die dood gaat. Want zoveel mensen weten niet hoe ze daarmee om moeten gaan. De kennis die zij met me deelt, gaat in beginsel over omgaan met de dood, dat is de ingang. Maar de dood is te makkelijk, daar hoeven we geen moeite voor te doen. Dood gaan we allemaal. Waar onze gesprekken in essentie over gaan, is over wat nodig is om een betekenisvol leven te leven.

Fia vertelt wat voor haar de aanleiding is geweest om deze gesprekken te willen voeren: “Waar ik erg van geschrokken ben, is dat mensen heel erg uit gaan van verhalen over hun eigen tante Joke of hun eigen oma. ‘Toen oma ziek werd toen… mijn tante Joke die had dat ook maar die liep binnen 3 maanden weer…’ Of juist het tegenovergestelde en ze stierf de meest gruwelijke doden. Vanuit het ongemakkelijk zijn, triggert zo’n gesprek meteen naar het zelf gaan vertellen om zo de gaten op te vullen. Want dan ontstaan er geen ongemakkelijke stiltes. En ik heb geleerd dat als ik daar maar even aandacht voor heb en als die ander z’n stress kwijt kan, dat we het daarna even kunnen hebben over hoe het écht met me gaat. En daarna ook weer naar gewoon, het leven.”

“Ik probeer te zorgen dat jij op je gemak zit, waardoor wij samen weer contact hebben en als we dat dan weer weten, dat de kanker dan ook gewoon weer op tafel kan komen. Als jij je hoofd gestoten hebt, dan is dat ook vervelend. En het moet niet zo zijn, dat jij dat niet durft te zeggen omdat dat in geen enkele verhouding staat. Er moet voor alle twee de dingen ruimte zijn. Het is niet anders als in iedere andere vervelende situatie.”

“Wat ik nog neer wil zetten, is veel meer voor anderen mensen. Voor mijn dochter, dat ze nog een actief beeld van me kan overhouden. Dat ik niet als een treurwilg op de bank zit en dan over 3 maanden dood ben en dat ik dan de laatste 1,5 jaar eigenlijk niet meer geleefd heb.”

Fia draait er niet omheen en geeft met haar humor een mooie twist aan haar boodschap. Ik vind dat juist zo leuk aan haar en ik grinnik af en toe mee. Tenzij ze mij een rake vraag stelt, want tussendoor vindt ze ook de energie om interesse in mijn leefwereld te tonen. En net als 16 jaar geleden prikt ze overal doorheen recht mijn hart in. We praten ook over de tijd, waarin mijn moeder ziek was en ze vraagt me om nog dieper te graven naar wat ik had kunnen doen in die 6 maanden voordat mijn moeder overleed, om het daarna makkelijker voor mezelf te maken. De kern ligt bij het uitspreken van gevoelens, en dat zowel mijn moeder als ik dat in die tijd niet konden. Fia zei het zo mooi:

“Het stukje waarbij je zo in elkaars vel kunt kruipen, dat liet je toch liggen door één of andere rare kronkel, een soort privatisering van verdriet. Vanuit het idee om de ander te sparen en die niet met je verdriet te confronteren. Want je ontkent elkaar verschrikkelijk in dezelfde emotie, uit wat voor norm dan ook. Terwijl als je het gezegd zou hebben, dan zou dat de kwaliteit van de relatie zo verschrikkelijk verbeteren. En daarom probeer ik dus actief om oog te hebben voor het verdriet van die ander en dat er ook te laten zijn.”

Ze zegt dat het afgelopen jaar het mooiste jaar in haar leven is geweest. Ze vervolgt: “Dat is heel wonderbaarlijk, maar ik wist niet dat ik zoveel warmte om me heen had. En zoveel diepe vriendschappen had. En dat komt nu allemaal naar boven en dat is hartstikke mooi. Dat is zo bijzonder. Daar wil ik die 20 jaar best voor inleveren. Dat zijn enorme kadootjes.”

“Dit jaar is zo gevuld geweest met gesprekken op een manier waarop ik ze graag voer en die veel verder gaan dan ‘Hoe gaat het met je’? Maar échte gesprekken, over hoe je in het leven staat, hoe je ermee omgaat, wat je belangrijk vindt en waarom je dat belangrijk vindt en wat je daar dan mee doet. Dat heb ik in het leven hiervoor niet voor elkaar gekregen. Daar had ik wel incidenteel zo van die pareltjes van gesprekken, maar nu hebben de meeste gesprekken dat soort kwaliteit. En als ik dat weer af zou moeten geven, dat zou ik heel erg vinden. Ik zou die kwaliteit niet meer willen missen. Als dat er nog zou zijn dan wil ik nog wel even door. Maar dat krijg ik niet voor elkaar. Nu gaan mensen er in mee. Ik wil díe kwaliteit van leven!”

Kwaliteit van leven dus, dat we allemaal meer stil staan bij wat dat voor ons betekent. Hoe definiëren we dat? Wat maakt jouw leven zo leuk? Waarom wil jij er graag zijn? En is het echt nodig dat de dood om de hoek komt kijken voordat we dit soort gesprekken met elkaar kunnen voeren? Wat beweegt ons om hele gesprekken te voeren over dingen die buiten ons liggen zonder elkaar te vragen hoe het écht gaat? Het is alsof we ervoor kiezen in een waas te blijven leven, terwijl ik bij zoveel mensen dat verlangen zie om echt te verbinden. Echt verbinden, jouw waarheid durven delen, ook als dat niet allemaal rozengeur en maneschijn is. Want jij mag er ook zijn met wat er bij jou hoort. Hoe fijn zou het zijn als we in een wereld leven waarin dit de gewoonste zaak is?